030 - 820 00 20
Menu

Geplaatst: 7 juni 2018

De barbecue en de fiscus

De zomer nadert en daarmee staat de vakantieperiode weer voor de deur. Ter afsluiting van de voorjaarsperiode organiseren werkgevers veelal als personeelsuitje een bedrijfsbarbecue. Zoals dat geldt voor alle vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers is de werkkostenregeling (WKR) hierop van toepassing. Volgens de WKR mogen werkgevers hun personeelsleden 1,2% van de totale loonsom als onbelaste vergoedingen en verstrekkingen geven.

Werkkostenregeling

Vergoedingen en verstrekkingen aan personeelsleden worden in beginsel fiscaal aangemerkt als loon. De kosten daarvan vallen onder de WKR en zijn belastingvrij als ze door de werkgever daartoe zijn aangewezen en zij in totaal de vrije ruimte (1,2% van de loonsom) niet overschrijden. Overschrijden de vergoedingen en verstrekkingen de vrije ruimte, dan moet de werkgever een eindheffing van 80% betalen over het bedrag van de overschrijding. Er zijn vergoedingen en verstrekkingen waarvan de waarde op nihil wordt gesteld, de zogenaamde nihilwaardering. Die vergoedingen en verstrekkingen kunnen dus belastingvrij worden gedaan zonder dat zij invloed hebben op de vrije ruimte.

Bedrijfsbarbecue op de werkplek

Organiseert u de bedrijfsbarbecue op de werkplek dan zijn de kosten van hapjes en drankjes onbelast omdat daarvoor de nihilwaardering geldt. Maaltijden vallen echter niet onder de nihilwaardering. Voor maaltijden op de werkplek geldt een vaste waardering van € 3,35. Dat bedrag vormt loon voor uw werknemers. U kunt dit loon aanwijzen als eindheffingsloon, waardoor het ten koste gaat van de vrije ruimte.

Bedrijfsbarbecue elders

Organiseert u de barbecue buiten kantoor / bedrijf dan zijn de nihilwaardering en de vaste waardering voor maaltijden niet van toepassing. De kosten van de hapjes en de drankjes kunnen dan ten laste van de vrije ruimte worden gebracht, voor zover die nog niet is gebruikt. Overschrijdt het totaal van de kosten de vrije ruimte, dan krijgt u te maken met de eindheffing van 80% over het bedrag van de overschrijding.

Dus kolen aan en vlees erop.




Geplaatst: 4 juni 2018

bezwaar tegen de heffing in box III

Tot 1 januari 2017 werd de heffing over het vermogen in box III vastgesteld op basis van een verondersteld rendement van 4% over het vermogen. Dit rendement werd de laatste jaren door vele belastingplichtigen niet gehaald.

Dat kan leiden tot situaties dat er belasting betaald moet worden over niet gerealiseerde inkomsten. Tegen de heffing in box III zijn daarom een aantal proefprocedures aangespannen, waarvan het verloop onzeker is.

Vanaf 1 januari 2017 is het systeem van heffing in box III aangepast maar volgens o.m. de Bond van Belastingbetalers is nog steeds sprake van een onredelijk systeem. Om die reden wordt geadviseerd tegen een aanslag waar box III vermogen in betrokken is, bezwaar te maken. Recent heeft de staatssecretaris van financiën bekend gemaakt dat hij bezwaarschriften tegen de heffing in box III zal aanwijzen als massaal bezwaar. Waardoor de bezwaarschriften dus collectief behandeld worden en er niet op individueel niveau uitspraak gedaan wordt. Het is wel nodig om zelf het initiatief te nemen tot een bezwaarschrift, het is dus niet zo dat iedereen automatisch recht heeft op aanpassing van de aanslag als de belastingdienst uiteindelijk ongelijk krijgt.

Wilt u bezwaar maken tegen de belasting in box III, neemt u dan uiteraard contact op met uw adviseur bij van helder.




Geplaatst: 29 mei 2018

De fiscus zal rekening-courant positie DGA in de toekomst kritischer beoordelen

Uit openbaar gemaakte documenten blijkt hoe de Belastingdienst omgaat met een lening van de DGA van zijn BV.

Beoordeling geldlening
Waar kijkt de Belastingdienst naar om te beoordelen of de lening realiteitswaarde heeft? Wanneer loopt de directeur-grootaandeelhouder (DGA) het risico dat de Belastingdienst het standpunt inneemt dat er feitelijk geen sprake is van een geldlening maar een dividenduitkering? Wanneer is er sprake van een onzakelijke lening?

De Belastingdienst kijkt bij de beoordeling van de geldlening naar het volgende:

Voorkomen dat de Belastingdienst een uitdeling/dividenduitkering stelt?

Wil de Belastingdienst een uitdeling/dividenduitkering kunnen stellen, dan geldt er een dubbele bewustheidsvereiste. Dat betekent dat de BV de DGA heeft moeten willen bevoordelen in de hoedanigheid van aandeelhouder en de DGA moet het voordeel hebben aanvaard. De bewijslast hiervoor ligt bij de Belastingdienst. Het zal niet altijd eenvoudig zijn voor de Belastingdienst om deze dubbele bewustheidsvereiste aannemelijk te maken bij verstrekte geldleningen die in de ogen van de Belastingdienst een dividenduitkering betreffen. Eventueel kan de Belastingdienst bij het opleggen van navorderingsaanslagen een boete opleggen.

Het is belangrijk om een eventuele discussie met de Belastingdienst voor te zijn, door de administratie ten aanzien van de verstrekte geldlening goed op orde te hebben. Zorg voor een leningovereenkomst en kijk ook naar de gemaakte afspraken. Gebruik daarbij de hiervoor genoemde opsomming van punten die de Belastingdienst beoordeelt. Bedenk ook of een bank ook onder dezelfde voorwaarden de lening had willen verstrekken. Wellicht is de conclusie dat het verstandig is om de leningsvoorwaarden op onderdelen aan te passen. Dat kunt u beter nu doen, dan afwachten tot de Belastingdienst vragen gaat stellen en standpunten gaat innemen.




Geplaatst: 16 mei 2018

Zijn uw dinerbonnen op orde?

Als ondernemer heeft u regelmatig zakelijke lunches en/of diners met zakenrelaties, collega’s enzovoorts. De kosten daarvan kunt u als praktijkkosten opvoeren, u moet dan wel het zakelijk karakter van deze uitgaven kunnen onderbouwen. Wanneer de belastingdienst deze kosten nader onderzoekt, wil de controleur weten met wie en waarom u buiten de deur bent wezen eten. De kans bestaat dan dat u dat jaren later niet meer kunt herinneren. Zorg er voor dat u -in uw digitale agenda of op de restaurant bon- vastlegt met wie en waarom u uit eten gaat. Met deze extra informatie stelt u de kostenaftrek veilig.




Geplaatst: 9 mei 2018

Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)

Op 25 mei 2018 wordt de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing. De AVG versterkt de positie van mensen van wie persoonsgegevens worden verwerkt (betrokkenen). Tegelijk stelt de AVG ook hogere eisen aan de verwerking en beveiliging van persoonsgegevens en mag van organisaties verwacht worden dat zij zorgvuldig omgaan met de verplichtingen die de Wet bescherming Persoonsgegevens (Wbp) en de AVG van ons vraagt.

Wij hebben, net als u, ook met deze nieuwe regelgeving te maken. Vanuit onze dienstverlening voor u verwerken wij immers ook persoonsgegevens en dat moet zorgvuldig en conform de Wbp en AVG gebeuren.

Om deze reden moeten wij samen met u een verwerkersovereenkomst afsluiten. Deze overeenkomst hebben wij voor u voorbereid en u vindt het model van deze overeenkomst alvast ter inzage in uw online dossier (in Cliënt Online). Binnenkort krijgt u de overeenkomst ook persoonlijk elektronisch ter ondertekening aangeboden. U hoeft nu dus nog geen actie te ondernemen.

In het vervolg zullen wij mede vanwege de privacy wetgeving vaker van het online dossier gebruik maken en persoonlijke informatie (zoals jaarstukken, aangiften, prognoses) niet meer per mail aan u versturen.

Mocht u naar aanleiding van dit bericht vragen of opmerkingen hebben dan kunt u daarover vanzelfsprekend contact met ons opnemen.




Geplaatst: 1 mei 2018

Tandarts-implantoloog mag woning tot het zakelijke vermogen rekenen

Een tandarts-implantoloog drijft zijn praktijk in de vorm van een eenmanszaak. Deze praktijk is gevestigd op het adres X. In een andere in de buurt gelegen plaats heeft de implantoloog een duur huis laten bouwen waarin hij vanaf maart 2012 woont. Op de bovenverdieping is een niet-zelfstandige werkruimte en een archiefruimte gemaakt die uitsluitend voor de praktijk van de implantoloog wordt gebruikt. De werkruimte en archiefruimte zijn zodanig groot dat de woning met ondergrond voor meer dan 10% zakelijk wordt gebruikt. De implantoloog heeft de woning tot zijn zakelijke vermogen gerekend, waardoor de kosten van de woning inclusief afschrijving aftrekbaar zijn, met uitzondering van de bijtelling voor privé-gebruik van een ondernemingswoning.

Er kunnen diverse redenen zijn om een woning tot het zakelijke vermogen te willen rekenen. Mogelijk rekende de implantoloog bijvoorbeeld op hoge onderhoudskosten (allemaal aftrekbaar) of uiteindelijk zelfs op een verlies bij verkoop. Ook zou het kunnen dat de WOZ-waarde nog erg laag was en daarom de bijtelling voor het privé gebruik ook heel laag zou uitvallen. De inspecteur wilde de zakelijke etikettering niet toestaan. Hij kreeg in eerste instantie gelijk van de Rechtbank Den Haag.

In hoger beroep bij het Hof Den Haag kreeg de implantoloog echter gelijk. Het Hof geeft aan dat de implantoloog aannemelijk heeft gemaakt dat hij mede voor de zakelijke belangen van zijn praktijk in de woning heeft geïnvesteerd. Het Hof vindt ook dat de investering niet in een zodanige wanverhouding tot het nut voor de onderneming staat, dat geen redelijk denkend ondernemer deze uitgave zou hebben gedaan. De woning mag dus zakelijk aangemerkt worden.

In bijzondere omstandigheden kan dit voordelen opleveren. Mocht u een woning gaan kopen of bouwen, neem dan contact met ons op om te bekijken of dit arrest voor kansen biedt.

 




Geplaatst: 16 april 2018

Vermijd 8% belastingrente op VPB-aanslagen

De Belastingdienst brengt – nog steeds – een belastingrente van maar liefst 8% in rekening op aanslagen vennootschapsbelasting. Als u die rentelast wilt vermijden moet uw BV tijdig aangifte doen, ofwel op tijd een voorlopige aanslag vragen. Belangrijke data zijn hier dat de belastingrente ingaat vanaf zes maanden na afloop van het belastingjaar. Voor BV’s met boekjaar gelijk aan het kalenderjaar begint de rente over 2017 te lopen vanaf 1 juli 2018. Heeft uw BV over 2017 winst gemaakt en nog geen voorlopige aanslag ontvangen? Dien dan een verzoek om een voorlopige aanslag in vóór 1 mei aanstaande.




Geplaatst: 10 april 2018

De bijtelling elektrische auto van de zaak wijzigt vanaf 2019

Met ingang van 1 januari 2019 wijzigen de bijtellingsregels voor “de auto van de zaak. Voor een elektrische auto geldt, afhankelijk van de cataloguswaarde, vanaf 2019 een hogere bijtelling.

Ten aanzien van de bijtelling voor de auto van de zaak zijn er op dit moment twee bijtellingscategorieën:

Bijtelling met ingang van 1 januari 2019

Werknemers met een elektrische auto met een waarde van meer dan € 50.000 krijgen vanaf 1 januari 2019 te maken met een gecombineerd bijtellingspercentage. Zij dienen 4% over de eerste € 50.000 bij te tellen en over het bedrag daarboven dienen zij 22% bij te tellen.

Tesla-taks

Wat betekent dit? Een werknemer / ondernemer met een Tesla Model S 75D met een cataloguswaarde van ongeveer € 95.000 betaalt in 2018 met 4% bijtelling afgerond ongeveer € 150 belasting netto per maand. In januari 2019 loopt dat bedrag op tot meer dan € 475 per maand.

Bijtellingspercentage vijf jaar vast

Het bijtellingspercentage staat voor 5 jaar vast, gerekend vanaf de eerste dag van de maand volgend op de eerste ingebruikname. Dat is de dag waarop het kenteken van de auto voor het eerst op naam is gesteld. Als die dag voor of op 31 december 2018 ligt, geldt het bijtellingpercentage van 2018 nog vijf jaar.

Als de overheid geen nieuwe voordelen voor elektrische auto’s introduceert, zal zakelijk rijdend Nederland naar verwachting straks weer massaal overstappen naar benzine of diesel.




Geplaatst: 27 maart 2018

Compensatieregeling vrouwelijke ondernemers

Al eerder hebben wij u gemeld dat vrouwelijke ondernemers die in de periode 7 mei 2005 tot en met 4 juni 2008 alsnog een zwangerschapsuitkering kunnen krijgen. Inmiddels is de regeling opengesteld en kan er vanaf 15 mei 2018 tot 1 oktober 2018 een beroep gedaan worden op deze regeling. In totaal kan maximaal € 5.600 uitkering gekregen worden (bruto) in 2019 en belangrijk is te weten dat betreffende uitkering tot het inkomen van 2019 wordt gerekend. De uitkering kan dan ook gevolgen hebben voor eventuele toeslagen etc.

De aanvraag moet worden gedaan bij het UVW en uiteraard kunt u met ons contact opnemen wanneer u vragen heeft.




Geplaatst: 14 maart 2018

Moet u ook Bitcoins of andere cryptocurrencies aangeven in box 3?

Binnenkort moet de aangifte inkomstenbelasting over 2017 weer worden gedaan. Heeft u belegt in cryptocurrencies en bent u op tijd  in- én ook weer uitgestapt dan hebben die munten u een flink bedrag opgeleverd. De koersexplosie het afgelopen jaar heeft veel beleggers winsten opgeleverd. De Belastingdienst wil ook er graag zijn deel van hebben. Als u als particulier ‘belegt’ heeft in de cryptocurrencies moet u die aangeven in box 3 als ‘overige bezittingen’. In de binnenkort in te dienen aangifte IB 2017 valt de schade nog wel mee: per 1 januari 2017 was de waarde van een Bitcoin circa € 900. In de IB-aangifte 2018 wordt dat veel meer betalen: eind vorig jaar was de koers van een Bitcoin circa € 12.000, een behoorlijke hogere waarde.

U dient belastingheffing in box 3 te betalen wanneer uw belastbare vermogen per 1 januari 2017 hoger is dan E 25.000 (met fiscale partner E 50.000).