Wibz aangescherpt: wat betekent dit voor tandartsen en orthodontisten?
Op 3 juli 2026 heeft minister Sterk de Tweede Kamer geïnformeerd over belangrijke aanscherpingen van het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz). Het kabinet wil strengere regels invoeren voor winstuitkeringen, bedrijfsvoering en toezicht binnen de zorg. Het doel is het voorkomen van excessen en ervoor zorgen dat zorggeld daadwerkelijk aan zorg wordt besteed. Op zich is dat natuurlijk een begrijpelijk doel. Maar tegelijkertijd roept de brief voor eerstelijns zorgaanbieders, waaronder tandartsen en orthodontisten, veel nieuwe vragen op.
In de politieke discussie ligt de nadruk vrijwel altijd op grote zorginstellingen, private equity en complexe overnamestructuren. Daarvoor wordt wetgeving “bedacht” die vervolgens generiek uitwerkt en ook de zeer kleine eerstelijnszorgaanbieder raakt. Recente voorbeelden zijn er genoeg: denk aan de overbodige maar wel verplichte accountantsverklaring bij de WNT-verantwoording.
Uit de brief lijkt te volgen dat het kabinet toewerkt naar één uniform systeem van winstregulering voor alle aanbieders van verzekerde zorg, ongeacht sector of leveringsvorm. Heel bijzonder, want bijvoorbeeld voor tandartsen en orthodontisten geldt dat een belangrijk deel van hun opbrengsten niet gefinancierd wordt uit de basisverzekering.
Winstuitkeringen worden gemaximeerd.
Onder de Wtzi (en nu ook onder de Wtza) bestaat al een verbod op het uitkeren van winst in de zorg. Daarvan waren de meeste eerstelijnszorgaanbieders (zoals huisartsen, tandartsen en orthodontisten) van uitgezonderd. Die groep mag onder de huidige wet dus gewoon winst maken en ook uitkeren.
Uit de brief lijkt te volgen dat het kabinet toewerkt naar een wettelijk maximum voor winstuitkeringen dat ook van toepassing zal zijn op eerstelijnszorgaanbieders zoals huisartsen, tandartsen en orthodontisten. Zij hadden tot op heden met geen enkele beperking te maken. Volgens het kabinet mag een winstuitkering niet hoger zijn dan een nog nader vast te stellen percentage van het geïnvesteerde vermogen. De exacte hoogte daarvan is op dit moment nog onbekend. Daarnaast wil het kabinet winstuitkeringen koppelen aan aanvullende voorwaarden, zoals naleving van de openbare jaarverantwoordingsplicht en financiële gezondheid.
Wat gebeurt er met eenmanszaken en maatschappen? Juist op dit punt ontstaat naar onze mening de grootste onduidelijkheid. De brief spreekt uitgebreid over winstuitkering, dividend, investeerders en BV-structuren, maar gaat nauwelijks in op de positie van zorgaanbieders die werken via een eenmanszaak of maatschap. Daardoor ontstaat het risico dat de voorgestelde regelgeving niet rechtsvormneutraal uitwerkt.
Veel vragen, nog weinig antwoorden. Hoewel de beleidsrichting duidelijk is, ontbreken juist de antwoorden op de vragen die voor tandartsen, orthodontisten en andere eerstelijnszorgaanbieders van groot belang zijn.
Voor praktijkhouders zijn onder meer de volgende vragen relevant:
- Gaan de nieuwe winstuitkeringsregels ook gelden voor mondzorgpraktijken die slechts gedeeltelijk verzekerde zorg leveren?
- Welk percentage van het geïnvesteerde vermogen zal uiteindelijk als maximaal uitkeerbaar rendement worden aangemerkt?
- Hoe wordt omgegaan met eenmanszaken, maatschappen en andere niet-BV-structuren?
- Komt er voor deze rechtsvormen een vergelijkbare beperking, of ontstaat een ongelijk speelveld ten opzichte van BV’s?
- In hoeverre blijft sprake van rechtsvormneutraliteit als juist BV-structuren worden geconfronteerd met aanvullende verantwoordings- en uitkeringsbeperkingen?
Juist dat laatste punt verdient aandacht. Op basis van de huidige brief valt niet uit te sluiten dat de keuze voor een bepaalde rechtsvorm (en dan vooral niet de BV) gaat beïnvloeden.
Verwacht tijdpad
Het ministerie heeft aangekondigd dat de voorgestelde wijzigingen eerst worden uitgewerkt in een nota van wijziging op het wetsvoorstel Wibz. Daarna volgt toetsing door uitvoeringsinstanties, advisering door de Raad van State en vervolgens behandeling in Tweede en Eerste Kamer. Een definitieve invoeringsdatum is nog niet bekend. Gezien de nog te doorlopen stappen ligt invoering op zeer korte termijn niet voor de hand.
Hoe verder?
Op dit moment is er nog zoveel onduidelijk dat het nemen van definitieve beslissingen niet mogelijk en niet nodig is. Maar het is wel duidelijk dat de B.V. als rechtsvorm er een nieuw belangrijk nadeel bij kan krijgen. Naast de wet normering topinkomens met de verplichte accountantsverklaring, de uitgebreidere openbare jaarverantwoording komt daar nu mogelijk ook een winstuitkeringsplafond bij.
